Alle berichten van Hans van Gemert

Woordjes

Ik heb laatst weer een nieuwe kant van mijzelf ontdekt. Of beter: hérontdekt.
Dat is al winst. Het ontdekken van nieuwe dingen is natuurlijk altijd leuk – vooral als het om leuke dingen gaat.

De laatste paar weken ben ik fanatiek aan het schrijven geslagen.  Je hebt op mijn blog natuurlijk al regelmatig zo wat kunnen lezen, maar dit is ‘nieuw’. Min of meer, dan.

Ik ben bezig met het schrijven van artikeltjes, over uiteenlopende onderwerpen. En dat is leuk, omdat ik daardoor mezelf ook weer in allerlei items kan en mag verdiepen. En zo komt je toch nogal eens iets te weten, dat je eerst nog niet wist.

Bijvoorbeeld de allereerste computerprogrammeur. Je denkt bij computers aan iets dat tamelijk recent is. Computers zijn er immers pas ongeveer vanaf de tweede wereldoorlog.
Dat klopt wel, maar toch bouwde Charles Babbage bijna (hij had uiteindelijk niet genoeg geld) een computer in 1840!  Allemaal mechanische onderdelen, dus groot, omslachtig en voor onze begrippen weinig capaciteit. Maar toch.  Voor dit computer is een programma geschreven door Ada Lovelace. Dat in die tijd vrouwen gestudeerd hadden was al buitengewoon zeldzaam, laat staan dat ze de kans kregen zich op wetenschappelijk gebied te uiten. Maar zij schreef het eerste echte computerprogramma, dus zij was de allereerste computerprogrammeur.
Helaas is de machine nooit afgebouwd, dus ze heeft het programma nooit zien draaien.

Bovenstaande kun je teruglezen in de artikelreeks ‘computerpioniers’.

Je vindt verwijzingen naar die reeks – en naar al het andere dat nu geschreven is – op deze site. Kijk bovenin naar de menukeuze ‘schrijfwerk – artikelen‘.

Als je nog een leuk onderwerp weet waarover je wil dat ik iets schrijf, laat het maar weten!

 

 

Je hebt van die dagen…

Je hebt van die dagen dat het allemaal niet zo goed op gang komt. Of dat nu aan het weer ligt, of aan een hardnekkig virus dat blijkbaar nadrukkelijk ronddwarrelt, het eindmoment van de vorige avond, of aan het ingaan van de zomertijd, dat is allemaal onbelangrijk. Geef het maar een naam, verzin een goede reden, wat dan ook, dat maakt eigenlijk niet zoveel uit. Er blijft het gegeven, dat het op sommige dagen allemaal niet zo goed op gang komt.

Ik heb een schildersdoek tevoorschijn gehaald, ik weet waar de verf is, ik heb een tafel die ik alleen maar wat leeg hoef te maken om dat alles ook een werkbare plaats te geven. Maar je hebt nou eenmaal van die dagen, en het komt dan ook niet goed op gang.

Uiteindelijk -traag, traag- is de tafel leeg. En dat blijkt – niet geheel onverwacht- uiteindelijk een fluitje van een cent. Maar voordat al het schilderspul op de juiste wijze op die tafel terechtkomt, dat blijkt van een geheel andere orde. En het is niet dat ik niet wil, geen zin heb of zo. Ik heb een idee in mijn hoofd, heb een beeld van hoe het zou kunnen gaan worden en ik heb al bedacht hoe ik het aan ga pakken. Er is maar één klein hobbeltje:  Ik hoef alleen maar te beginnen.
Maar, je hebt dus van die dagen.

Uiteindelijk wordt ook deze hindernis genomen. Hoelang dat duurde laat ik hier graag in het midden. Het mag geen naam hebben, karweitje van niks.
Het schildersdoek staat gereed, verf staat klaar, kwast in de aanslag.
Maar wat ik ook doe, het voelt allemaal erg ‘stroperig’. Er zijn nu eenmaal van die dagen dat het allemaal niet zo vlotten wil, en het wordt tijd dat ik ga accepteren dat dit één van die dagen is.

Ik laat dus vandaag even de boel de boel.  Boekje gepakt, glaasje erbij, en gewoon even zitten. Lezen, of gewoon voor me uit staren. Even in de dromerige stand, het brein opladen, en morgen weer tijd voor een productieve dag!

 

Wat stelt dat voor?

Geconcentreerd werk ik de kwasten verf tegen het doek.  Allerlei kleuren en vormen hebben zich op mijn schilderij geordend tot een onverwacht geheel. Onverwacht, maar niet onwelkom. Het avontuur loopt ten einde, en ik vul de laatste lege plekken in. Nog een stipje hier, streepje daar, vlekje ginds. Hier of daar een kleurtje over een ander kleurtje heen, een detail, een accent.

En dan is het eindelijk klaar. Tevreden stap ik achteruit, en bezie het resultaat. Het is goed. Ik kan mijn werk vol trots laten zien, en dat doe ik dan ook.

“Wat stelt dat voor?” hoor ik soms zeggen.
Dat vind ik altijd een erg lastige vraag. Of eigenlijk: het antwoord is lastig, de vraag wordt veel te gemakkelijk gesteld.

De vraag impliceert namelijk een bedoeling. De schilder heeft ‘iets’ willen delen, en het is blijkbaar niet meteen duidelijk wát dat dan is. De vraag impliceert niet alleen een bedoeling, ook een ‘product’ een ‘meetbaar resultaat’.
De vraag zegt ook iets over de vragensteller, over de tijd die hij of zij in het kijk-en-ervaar-proces wil investeren. Niet te lang blijkbaar, het moet vooral metéén duidelijk zijn.

Ik denk dat het anders moet liggen. Goed, ik heb ‘iets’ willen delen. Het ‘iets’ is gaandeweg vorm gaan krijgen, heeft zich ontwikkeld, misschien in heel onverwachte richtingen.
Het schilderij is méér geworden dan een concreet vastgelegd voorwerp of persoon. Of, vaak in mijn geval, méér dan een samenspel van kleuren en vormen. Het is een gevoel, een emotie die gegroeid is en in een uren durend proces op het doek terecht is gekomen.

Als je naar mijn schilderij kijkt, hoef je niet hetzelfde proces te doorlopen. Je kijkt ernaar, en laat het op je inwerken. Misschien zie je er andere dingen in, ervaar je het anders, doorloop je een heel eigen proces. Misschien zijn je emoties anders, misschien analoog, maar toch anders. Het kijk-en-ervaar-proces heeft feitelijk niets te maken heeft met ‘mooi’ of ‘niet mooi’, al kan en mag dat uiteindelijk je conclusie zijn.

Je hoeft als kijker niet hetzelfde te ervaren als de schilder.  Je maakt je eigen verhaal. De vraag ‘wat stelt dat voor’ doet geen recht aan je eigen inlevingsvermogen, je eigen empathisch voelen, je eigen fantasie, je eigen creërend vermogen. En daar mag je best op vertrouwen!

 

Op weg…

Soms is een stukje schrijven net als schilderen. Voor mij, dan.

Een schilderij is als een levend organisme. Je weet niet altijd van tevoren hoe het zich zal ontwikkelen. Je kunt voorspellen dat een leeg doek zal eindigen als volgeschilderd schilderij, je kunt voorspellen welke kleuren je op het doek zult aantreffen, daarvoor kijk je bijvoorbeeld naar de kleuren die je vooraf hebt klaargezet. Toch weet je nog lang niet alles. Welke vormen, welke lijnen uiteindelijk op het doek tot ontwikkeling zullen zijn gekomen, dat blijft een meestal aangename verrassing.

Een stukje schrijven ontwikkelt zich soms op dezelfde manier. Soms heb je een idee, iets dat je absoluut wilt overbrengen. Zo’n tekst ontwikkelt zich van start tot einde volgens een patroon, een vooropgezet plan. Je hebt een beginpunt, er volgen een aantal kernpunten en uiteindelijk kom je uit bij het hoogtepunt. Punt gemaakt.

Maar het is niet altijd zo. Soms ook begin je te typen, terwijl je nog niet precies weet waar je naartoe gaat. Jawel, een leeg vel dat uiteindelijk gevuld is met lettertjes, woorden, zinnen. De inhoud kan zich nog ontwikkelen, je kunt nog alle kanten op.

Er zit een avontuur in het schrijven van een stukje. Het is een ontdekkingstocht naar een verborgen boodschap die je in je binnenste bewaart, en die al schrijvend zich naar de openbaarheid werkt. Je kunt jezelf nog aardig verrassen!

En als je dan gaandeweg ontdekt welk pad je aan het bewandelen bent, welke bestemming zich onverwacht aan je openbaart, dan is het heel gemakkelijk om de passages die achteraf minder in het verhaal pasten ook weer te verwijderen. Uiteindelijk neem je alleen datgene met je mee dat je waardevol genoeg vindt. De rest is ballast, en kun je missen.

Dat geldt uiteraard niet alleen voor stukjes schrijven. We nemen allemaal vaak teveel ballast met ons mee. tegenslagen, vastgeroeste patronen, allemaal zaken die ons afhouden van het avontuur waar we reikhalzend en in volle verwondering naar uitkijken.

Muzikale chemie

We zitten in de zaal.

Langzaam maar zeker raken alle stoeltjes om ons heen bezet. Er wordt gepraat, zacht gelachen. Een gevoel van plezierige spanning ligt als een dekentje op onze schouders. Niet te zwaar, precies goed.
Op het podium staan gitaren in allerlei soorten en maten blij gestemd te wachten op hun grote moment. Aan de zijkant staat een zwarte vleugel, de toetsten gepoetst en al even goed gestemd. De sfeer zit er al goed in.
Een podiumknecht zet voorzichtig enkele glazen water klaar, opdat de zangkeeltjes optimaal bevochtigd en gesmeerd zullen blijven.

De momenten van gespannen afwachting duren voort en zijn ook heel belangrijk. We hebben er zin in, krijgen er steeds meer plezier in, en we hebben zoiets van ‘Laat het maar gebeuren!’.

De achtergrondmuziek wordt zachtjes gedraaid zodat het geroezemoes in de zaal even volop in de belangstelling komt. en meteen valt het zaalvolume de helft terug. Als ook het licht wordt gedimd valt ook de andere helft van het zaalvolume weg, zodat een afwachtende stilte overblijft.
Dan gaan de spots op het podium aan, en de artiesten doemen uit het donker op. Er is applaus, de artiesten buigen en nemen hun plaats in.

De openingswoorden van Fernando Lameirinhas verbinden het publiek, we worden deelgenoot van wat staat te gebeuren. Hij neemt ons mee op reis.
Als de muziek begint zijn we niet alleen luisteraars, we zijn deelgenoot geworden.

De persoonlijkheden, de muziek, de emotie, dat alles bindt en verbindt ons. We maken deel uit van het geheel. Ook al verstaan we misschien niet alles, door de inleidende woorden weten we toch waar de veelal Portugese teksten over gaan. En je hebt niet altijd de woorden nodig, de stemming van het lied wijst je al de goede richting.

Als je ziet hoe de mensen geraakt en betrokken worden, hoe iedereen mee kan op de muzikale stroming, dan weet je het: dit is pas chemie!

Als alles bij elkaar komt, muziek, tekst, emotie, betrokkenheid,  het ‘deelgenoot zijn’, dan kunnen er grootse dingen gebeuren!

Samen spelen

Het is moeilijk je voor te stellen dat er geen muziek zou bestaan. Al zolang mensen zich herinneren, ver terug in de menselijke geschiedenis, wordt er gezongen.  Aanvankelijk waarschijnlijk met klanken, later met woorden. Waarschijnlijk, want details zijn uiteraard niet bekend.
En al bijna even vroeg in onze geschiedenis hebben mensen van alles gebruikt om zich te begeleiden. Trommels, ritme-intrumenten van boomstammen, trommels van hout, stokken, dierenvellen, noem maar op.
Muziek en dans speelden bij de vroege mens een belangrijke rol in het leven van alle dag, maar zeker ook bij belangrijk gebeurtenissen en allerlei ceremonies.
Wat dat betreft is er misschien niet zoveel veranderd. Muziek speelt nog steeds een erg belangrijke rol in ons leven, een wereld zonder muziek is je eigenlijk niet voor te stellen.

En, logisch, dat geldt dus ook voor mij.

Ik houd ervan met muziek bezig te zijn. De klanken van een mooi muziekstuk kunnen je omspoelen, je meenemen, tillen je op. Als je je laat meevoeren op muzikale klanken lijkt het alsof je zorgen verminderen, minder ernstig worden. En misschien is dat ook wel zo. Muziek verzacht, ook al is het maar éven, je ‘harde buitenkant’.

Het is ook heel bijzonder om zelf muziek te maken. Zingend of spelend, dat maakt eigenlijk niet zo heel veel uit.

Ik zing in zanggroep ‘Puur’  en ik speel wat op verschillende instrumenten. Dat kan bij ‘Puur’ de gitaar zijn, de piano, de djembé of de blokfluit. Sinds een jaartje bij de Stadspijpers van ‘s-Hertogenbosch, op de nicolo, te tenor-pommer. Het voelt heel prettig als je staat te studeren op een muziekstukje, als je door de eerste moeilijke momenten heen bent.  Want het lukt echt niet allemaal meteen.

Maar het moment dat je samen met anderen speelt, als jouw klanken zich gaan voegen in het totaal van klanken dat je samen produceert, dan wordt het echt muziek. Wat je in je eentje niet voor elkaar krijgt, dat lukt samen. En dat is heel bijzonder. Tilt het muziek-beluisteren je al op, zelf meedoen verheft je nog net iets meer.
En het is prachtig te ervaren hoe alle klanken samenkomen.  Verschillende instrumenten, hoog en laag, gevarieerde kleuring, alles draagt bij tot een fantastisch geheel.

Vroeger, toen ik nog een kinderkoor begeleidde, zong het koor een lied met de regel ” Samenspelen is pas fijn”. Daar valt eigenlijk weinig aan toe te voegen.

Vormen

Ik heb het schildersezeltje uitgeklapt, het doek staat gereed. Het rekje met kwasten in allerlei soorten en maten staat uitnodigend te wachten. Lange en korte kwasten, dikke, dunne en héél dunne.
Op een speciaal velletje papier druk ik worstjes verf uit verschillende tubes. Verschillende kleuren, want ik houd ervan veel en felle kleuren te gebruiken. Er is al genoeg zwart-wit, per slot van rekening.

Uit het kwastenrekje kies ik de eerste kwast. Niet al te dik, niet al te dun.
De kwast doop ik voorzichtig in de verf. Boven het doek aarzel ik even.
Er is geen plan, nog geen echt idee. Ik weet nog niet wat mijn schildersavontuur me gaat brengen.
Ik kan nog alle kanten op.
Dan tikt de punt van de kwast zachtjes het doek aan. De eerste tip, de eerste verfstreek verschijnt. Het begin is er, en nu wil ik het laten gebeuren.

Er ontstaat een lijn. Met mijn ogen volg ik wat er gebeurt.  Nieuwsgierig, vol spanning. Ik ben benieuwd waar de lijn naar toe zal gaan. De lijn wordt een vorm. Een naamloze vorm, met gebogen lijnen.

Zo werk ik het liefst. Laat het moment, mijn gevoel maar bepalen wat er gaat gebeuren.

Soms begin ik met een vaag idee, maar hoe het verder gaat vanaf het moment dat de kwast de eerste stip zet blijft een avontuur. Het is heel goed mogelijk dat het vage idee meer vorm krijgt. Het kan ook zo maar iets heel anders worden. Soms wordt het een mooi verhaal, soms ook niet. Maar je kunt gelukkig altijd opnieuw beginnen!

Naarmate meer lijnen en vormen samenkomen ontstaan, er figuren of patronen. Die nodigen me uit, nemen me dan mee, en samen ontdekken we nieuwe wegen, nieuwe uitdagingen op het doek, nieuwe ontdekkingen in mezelf.

Het is een spannend avontuur, vol verrassingen!

Dat mag er gekleurd op

Ik zat laatst te bladeren in een meubelboek. Een dik boek, vol met allerlei stoelen, tafels, kasten, bedden. Je kent dat wel. De ene nauwkeurig ingerichte kamer na de andere staart je door de glossy pagina’s aan. Kamers, zo zorgvuldig ingericht, dat je je moeilijk kunt voorstellen dat er ook mensen in komen.
Wat me opvalt aan veel van de uitstallingen in het boek,  is de strakke belijning en het sombere kleurgebruik. Veel zwart of donkerblauw,  grijs of wit. Doorzichtig glas. Grote, grove vormen.

In de voorbeeldkamers in het boek zijn de muren leeg, gevuld met kasten, of gesierd met strakke vormen en gedekte kleuren. Soms zijn de muren wit, soms in een op de donkere meubels aangepaste tint. En heel vaak al even donker.

Ik vraag me dan af in hoeverre dit meubelboek de echte wereld benadert.
Zijn wij dit? Zijn we echt zo zwart-wit aan het worden? Zo somber, kleurloos, monotoon? Als ik de media beluister en bekijk, dat zou het best kunnen. Heel veel zwart-wit. Heel veel erg versimpeld.

Misschien moeten we weer wat losser worden. Meer genuanceerd, meer variatie en verrassing.
Minder hangen op de bank, minder mopperen en zeuren. Minder in patronen leven en denken.  Minder in vaste gewoontes, minder vaste procedures.  Meer nadenken over de kern van dingen. Waar het eigenlijk om gaat.

En tijd om weer wat meer kleur in ons leven te brengen. Leuke dingen doen, mensen ontmoeten, samen dingen beleven.  Onverwachte, spannende activiteiten opzoeken. En vooral: Kleur in huis brengen. Als je houdt van donkere meubels, breng dan op z’n minst kleur op de vloer, je lijf, of kleur aan de muren.

Meer kleur in je leven maakt je vrolijker, levendiger, luchtiger. En is dat niet precies waar we allemaal behoefte aan hebben?